 |
| 94 sec |
We kennen allemaal het beeld van curlingouders. Ouders die elk obstakel voor hun kind proberen weg te vegen. Alles moet soepel verlopen, zonder tegenslag of risico. De bedoeling is goed. Het effect is vaak het tegenovergestelde. Kinderen worden er niet weerbaarder van, maar kwetsbaarder. In de zorg voor bomen zien we een vergelijkbaar patroon.
 |
Ook hier geloven we sterk in maakbaarheid. We gedragen ons als curling-beheerders. We denken dat we bomen precies kunnen sturen, vormen en aanpassen aan onze wensen. De boom moet passen in het ontwerp, geen overlast geven en het liefst meteen functioneren. We bepalen de soort, het formaat en steeds vaker ook het geslacht. Geen pollen, geen zaden, geen rommel. We selecteren, filteren en sluiten uit. Soms willen we vooral geen cultivars, dan weer juist wel. Soms willen we inheems, dan weer -vanwege pollen- niet inheems. We planten graag veel van hetzelfde, omdat dat overzichtelijk is. En als die bomen het vervolgens slecht doen, schrijven we rapporten over stress, ziektes en uitval. Alsof dat ons overkomt. We curlen ons te pletter, maar vragen ons nooit af hoe het nu echt gaat met die bomen, die wij in de stad hebben geplaatst.
|
|
We curlen ons te pletter, maar vragen ons nooit af hoe het nu echt gaat met die bomen die wij in de stad hebben geplaatst.
| |
|
Daar komt nog een andere ontwikkeling bij: de groeiende knuffelcultuur rond bomen. Bomen zijn emotioneel belangrijk geworden, symbolen van gezondheid en leefbaarheid. Dat is op zichzelf niet verkeerd. Maar het risico bestaat dat gevoel de analyse vervangt. Dat we liever praten over de knuffelwaarde van bomen dan over de omstandigheden waarin we ze neerzetten. Die omstandigheden zijn vaak ronduit slecht. Kijk naar veel binnenstedelijke projecten. Grote glazen gebouwen, veel verharding, hitte, wind en nauwelijks ruimte voor wortels. Midden in dat geheel leggen we een klein boomvak aan. Daarin planten we een boom die het maar gewoon moet doen. Liefst snel, liefst probleemloos en liefst zonder dat iemand er last van heeft.
|
|
Maar het risico bestaat dat gevoel de analyse vervangt. Dat we liever praten over de knuffelwaarde van bomen dan over de omstandigheden waarin we ze neerzetten.
| |
|
In dat licht klinkt de uitspraak dat stadsnatuur topnatuur is, wel erg optimistisch. Voor veel bomen is de stad geen paradijs, maar een extreme groeiplaats. Warm, droog en arm aan ruimte. Vergelijkbaar met een woestijn, niet met een bosrand. Toch blijven we sturen en bijregelen. Meer zorg, meer techniek, meer ingrepen. Terwijl de kernvraag vaak niet wordt gesteld: waarom verwachten we zoveel van bomen, terwijl we ze zo weinig geven? Misschien is het tijd om te stoppen met curlen. Minder kneden, minder corrigeren en minder illusies over controle. En meer aandacht voor groeiplaats, ruimte en realistische verwachtingen. Bomen worden niet sterk doordat wij alles voor ze gladstrijken. Ze worden sterk als ze de kans krijgen om echt te groeien.
| LOGIN
met je e-mailadres om te reageren.
|
|
|
| Er zijn nog geen reacties. |
|